Aandoeningen - Schildklierkanker

Karl Hürthle

Karl Hürthle ( 16 maart 1860 - 23 maart 1945)

Hij was een Duits fysioloog en histoloog uit Ludwigsburg. In 1884 doctoreerde hij aan de universiteit van Tübingen, waar hij ook bleef tot 1886. In 1895 kreeg hij de titel van professor extraordinarius. In 1898 volgde hij Rudolf Heidenhain op als hoofd van de afdeling fysiologie in Breslau. Later in zijn carrière werkte hij aan het instituut voor fysiologie in Tübingen, en ook aan het departement voor experimentele pathologie en therapie aan het Kerckhoff Instituut in Bad Nauheim (nu gekend als het Max Planck Instituut voor Hart- en Longonderzoek).

Hürthle is bekend voor zijn bijdrage die hij leverde op het gebied van de hemodynamiek. Hij voerde intensief onderzoek naar de bloeddruk, bloedviscositeit, intracraniale circulatie, de bloedtoevoer naar de organen, vasodilatatie en het fenomeen van het Windkesseleffekt, die een belangrijke rol speelt bij het op peil houden van de bloeddruk.

Hij beschreef ook de dynamiek van de slagaderwand, deed onderzoek op de structuur van de dwarsgestreepte spieren, en hij onderzocht de functie en de morfologie van de schildklier.

Een grote, korrelige epitheelcel die soms aangetroffen wordt in de schildklier werd naar hem genoemd, de "Hürthle cel".

Jaarlijks krijgen 755 mensen in België de diagnose "schildklierkanker". Schildklierkanker komt meer voor bij vrouwen dan bij mannen. De voorbije twintig jaar zien we een sterke toename van het aantal schildklierkankers.

Soorten schildklierkanker

65% van de schildklierkankers zijn van het papillaire type, 25% zijn van het folliculaire type, 5% van het medullaire en 5% van het anaplastische type.

Anaplastisch carcinoom

Anaplastisch carcinoom komt zelden voor. Het is de meest agressieve vorm van schildklierkanker, die heel snel groeit en uitzaait. De kankercellen zijn niet gevoelig voor behandeling met radioactief jodium.

De overlevingskans is heel miniem.

Komt meestal boven de 65 jaar.

Folliculair carcinoom

Folliculaire schildklierkanker ontwikkelt zich langzaam. Een variant van folliculaire schildklierkanker is het Hürthle Cell Carcinoom

Hürthle CelFolliculaire schildklierkanker groeit langzaam, kan zich uitzaaien naar de longen en de botten. De kankercellen zijn gevoelig voor behandeling met radioactief jodium.

De overlevingskans bedraagt gemiddeld 70%.

Komt meestal tussen 30 - 70 jaar

Medullair carcinoom

Medullaire schildklierkanker ontwikkelt zich eerder agressief, kan zich uitzaaien naar de lymfeklieren, longen en lever. De kankercellen zijn niet gevoelig voor behandeling met radioactief jodium.

Kan erfelijk zijn, Men-2 Syndroom.

De overlevingskans bedraagt gemiddeld 50 - 70%.

De niet-erfelijke vorm komt het meest voor tussen 40 - 60 jaar. De erfelijke vorm kan zich al manifesteren vanaf het eerste levensjaar.

Papillair carcinoom

Papilliare schildklierkanker ontwikkelt zich langzaam, kan zich uitzaaien naar de lymfeklieren en de longen. De kankercellen zijn gevoelig voor behandeling met radioactief jodium.

De overlevingskans bedraagt 95%.

Komt meestal voor tussen 10 - 60 jaar.

Risicofactoren

De precieze oorzaak is nog niet bekend. Wel zijn er factoren bekend die het risico op schildklierkanker verhogen, namelijk:

Klachten

Onderzoek

Behandeling

De meest toegepaste behandelingen bij schildklierkanker zijn:

Een combinatie van deze behandelingsmogelijkheden is mogelijk. Bij schildklierkanker is het bijna altijd nodig om de schildklier operatief te verwijderen. Soms is het ook noodzakelijk om (een deel van) de lymfeklieren in de hals te verwijderen.

Na de operatie volgt vrijwel altijd behandeling met radioactief jodium. Die behandeling geeft meer informatie over hoe de ziekte verder zal behandeld worden. Een tweede operatie kan noodzakelijk zijn.

Uitwendige bestraling (radiotherapie) is zeldzaam bij schildklierkanker, maar het kan.

Schildklierverwijdering of thyreoïdectomie

Meestal wordt de hele schildklier weggenomen. De schildklier kan echter ook gedeeltelijk verwijderd worden. Er wordt dan één helft van de schildklier verwijderd, dit gebeurt als:

De operatie vindt plaats onder algemene verdoving en duurt ongeveer 2 uur. De chirurg maakt een horizontale incisie laag in de hals om de schildklier te verwijderen. Bij het hechten van de wond kunnen één of meer drains in het wondgebied worden gelegd om het wondvocht af te voeren. Deze drains worden na enkele dagen verwijderd. De pijn na de operatie valt over het algemeen mee en is te vergelijken met een keelonsteking. Enkele dagen na de ingreep kunt u terug naar huis.

Er bestaat een kleine kans dat een stembandzenuw tijdens de operatie beschadigd raakt. Dan kunt u last krijgen van een hese, zachte stem. De klachten zijn meestal van voorbijgaande aard. Als dat niet zo is, kan logopedie soelaas brengen.

Als de helft van uw schildklier werd verwijderd, heeft dat meestal geen gevolgen voor de aanmaak van schildklierhormonen. de overblijvende kwab is in staat om voldoende hormonen aan te maken.

Indien de volledige schildklier verwijderd werd, maakt het lichaam geen schildklierhormonen meer aan. Om de stofwisseling op peil te houden moeten schildklierhormonen ingenomen worden in de vorm van medicatie. Zie behandeling bij hypothyreoïdie.

Het kan een tijd duren voordat duidelijk is wat voor u de juiste dosis is van de medicatie.

Als u een jodiumbehandeling ondergaat, kunt u tijdelijk geen schildkliermedicatie slikken. In die periode ervaart u symptomen van hypothyreoïdie.

Als bij de operatie ook de bijschildklieren werden verwijderd, kan een tekort aan bijschildklierhormoon ontstaan. Dit gaat gepaard met tintelingen in de vingers en spierkrampen. Met calciumtabletten en soms vitamine D suppletie zijn deze symptomen te verhelpen.

Verwijdering van de halslymfeklieren

Bij uitzaaiingen worden meestal de lymfeklieren in de hals verwijderd. Dit gebeurt meestal gelijktijdig met de verwijdering van de schildklier.

Verwijdering van de halslymfeklieren kan soms blijvende gevolgen hebben:

Behandeling met radioactief jodium

Bij een totale schildklierverwijdering is het onmogelijk om al het schildklierweefsel te verwijderen. Bijna altijd blijven er minuscule deeltjes van de schildklier achter in de hals. Ook kunnen er nog onzichtbare uitzaaiingen in de lymfeklieren of elders in het lichaam aanwezig zijn. Daarom krijgen de meeste patiënten na een thyreoïdectomie een behandeling met radioactief jodium (I-131). De dosis hangt af van de grootte van de tumor en eventuele uitzaaiingen.

Meer informatie over de jodiumbehandeling vindt u hier.

Bestraling

Uitwendige bestraling wordt bij schildklierkanker weinig toegepast, maar het kan nodig zijn in bepaalde gevallen.

Ziekteverloop

Zoals bij alle kankers is het ook bij schildklierkanker vaak moeilijk te voorspellen wanneer iemand echt genezen is. Er is altijd een risico dat de ziekte terug toeslaat. Bij schildklierkanker hangt de prognose af van het type tumor. De overlevingskansen bij papillair en folliculair schildkliercarcinoom zijn gemiddeld genomen goed. Van alle patiënten met een papillair carcinoom zijn ongeveer 95% 10 jaar na de behandeling nog in leven. Bij folliculair carcinoom is dat 70%.

Specifieke aandachtspunten

Vermoeidheid

Het verschil tussen gewone vermoeidheid en vermoeidheid bij kanker:

Andere klachten